FRITS KLEIN TACHTIG JAAR

DE TIJDLOZE OPGEWEKTHEID VAN EEN LICHT ~ SCHILDER

Fanny Kelk   

 

 
  Pagina 1  
 
 
 Toen Frits Klein, in 1898 in Bandoeng geboren en als klein jongetje naar
 Apeldoorn gekomen, op zijn negentiende jaar als Rotterdams student een
 verhandeling over de Japanse economie schreef, kon hij niet vermoeden
 dat hij zestig jaar later als een van de veteranen van de Nederlandse schil-
 derkunst geëerd zou worden.
 
           
Onafhankelijk schilder
In 1919 ging hij voor het eerst naar Parijs.
Hij was een zoon uit welgestelde en
vrolijke Indische familie die veel reisde.  En
als een blijvend element heeft de
opgewektheid zich in hem genesteld en
vertegenwoordigt ook in zijn werk de vaste
basis van waaruit hij gevormd en gegroeid is.
Tot 8 mei is er een tentoonstelling van hem in
het van Gogh Museum te zien, voornamelijk
uit Nederlands bezit; een zingende
getuigenis. Die positieve geladenheid, die
nooit nadrukkelijke en natuurlijke blijheid,
het volstrek ontbreken van de overbekende
loodzware vaderlandse schuldgevoelens, bij
zo velen van zijn tijdgenoten omgezet in
bruinen en grijzen op het donker palet,
hebben het karakter van zijn werk van meet
af aan bepaald. Het is blond van kleur en
licht van toets geworden; tot op zijn hoge
leeftijd is hij trouw aan zichzelf gebleven en
nooit verslapt.
Hij koos voor het leven van een
onafhankelijk schilder, niet voor dat van een
econoom met garanties. En zo hoort het bij
hem:'Het is natuurlijk wel eens moeilijk
geweest, maar die vrijheid, die je als schilder
geniet is wel fantastisch. Ik had nooit iets
anders kunnen of willen worden. 'En die
vrijheid geldt voor Klein in zijn volledige
betekenis: die van de schilder die zijn leven
indeelt zoals hij dat wenst, reizen waarheen
hij verkiest, wonen waar het hem goeddunkt,
het leven met volle teugen genieten. En naast
een blije schilder, is hij ook een ernstige, die
zich strenge normen van kwaliteit stelt, al
maakt hij dan wat hij wil en verkoopt aan

           Frits Klein in zijn Parijse woning.

wie hij verkiest. Slechts drie maal heeft hij
een contract geduld, waarvan de laatste, een
overeenkomst met zijn Parijse Galerie des
Orfèvres, hem best bevalt. Vroeger heeft hij
er eens een verbroken waarover hij nogal
komisch  vertelt. Een dame zou de eerste van
elke maand om elf uur 's morgens een
aankoopkeuze komen maken, 'ééntje zó
groot en ééntje zus, heel correct zeg, 'vertelt
Frits gravend in een diep geheugen.
'Maar ze had een keer zo'n ding de volgende
dag heel voordelig kunnen doorverkopen, en
vroeg de maand daarop iets in datzelfde
genre. precies zulke kleuren in paars of
oranje, weet ik het. Ik werd de vijftiende al
zó zenuwachtig...Toen heb ik gezegd, ik ben
een beetje moe, en nou mag u dat geld
houden en ik bel wel weer es op...Ik sluit dus
nooit meer contracten.'
 
Licht en kleur
In 1920, na eerst de dienstplicht in Nederland
vervuld te hebben, keerde Klein naar Parijs
terug, voorgoed. Via de wederzijdse vriend
Conrad Kickert, die 'iedereen' kende, een
salon hield en promotor van jonge kunste-
naars was, en tot zijn dood aan toe een goed
vriend van Klein bleef, kwam hij in hetzelfde
huis in de Rue du Départ terecht als
Mondriaan. Nu staat op die plek, tegen het
Gare Montparnasse aan, het hoogste huis
van Europa en Frits woont aan een buiten-
boulevard met zijn Engelse vrouw, de
schilderes Ursula Bardsley, die aan hem
verwante pastelkleurige landschappen
schildert, en bezoekt tot zijn spijt 'de buurt'
zelden meer. Hij maakte er toen een heerlijke
tijd mee, die zich grotendeels 's avonds op
het terras van de dôme afspeelde, waar het
kubisme hoogtij vierde en zware discussies
op gang kwamen.
De jeugdige Klein zoog ze op, en volgde
overdag de lessen van andré Llote aan diens
school; op de académie de la Grande Chau-
mière kon je voor weinig geld een hele
middag naakttekenen. Soms ging hij Parijs
verkennen per metro, en dook zo hier en
daar naar boven. Zo ontdekte hij in het
Musée du Luxembourg de reeks
cathedraal-schilderijen van Claude Monet.
Hij was zo verrukt over de ontleding van het
licht zoals die, telkens op een ander uur van
de dag waargenomen, volledig in
die hemzelf bezighield en hem levenslang
heeft vervuld: licht en kleur, geen zware
psychologie en consequenties van vormen. 's
Avonds in de Dôme vertelde hij: 'Nu heb ik
vandaag eens wat gezien...waar ik helemaal
ondersteboven van ben'. Toen hij over zijn
Monets begon daverde het hele terras van het
lachen, en Klein stond plotseling op de
zwarte lijst. Men was tamelijk
conformistisch van opvatting, en alleen
Cézanne mocht bewonderd worden. En toch
was dat Franse wereldje nogal chauvinis-
tisch, Mondriaan was in zwarte
onbekendheid en armoe gedompeld, en van
Klee en Kandinsky sprak men niet, terwijl
die in Holland hun plaats al hadden ge-
kregen. Mondriaan verkeerde wel in de
vrolijke troep internationale kunstenaars,
waarbij vooral veel Scandinaviers waren.
'Mondriaan was een estheet, en het enige
belangrijke voor hem was keurig dansen, de
foxtrot, en op het bal nègre kwam hij ook.
Piet borstelde zijn blauwe pakje uit en
poetste zijn schoenen en als hij bij het dansen
één pas verkeerd had gezet was hij een week
in de war'.